Wat wordt gemeten?

In paragraaf 3.3 van het Rapport Pennings worden enkele structuren besproken die in het kader van het onderzoek naar de toxiciteit van XTC worden gemeten. Met behulp van beeldvormende technieken worden de volgende structuren onderzocht.

  1. Het serotoninetransporteiwit (ook SERT, of transporter genoemd).

  2. Serotoninereceptoren (dit zijn de postsynaptische receptoren).

  3. Volume en doorbloeding van de hersenen.

  4. N-acetylaspartaat.

  5. Opname en verdeling van glucose.

1. Het serotoninetransporteiwit (SERT) is het molecule (eiwit) dat in de paragraaf over zenuwcellen en neurotransmitters is besproken. Het is het eiwit dat ervoor zorgt dat serotonine vanuit de synaptische spleet terug wordt opgenomen (gepompt) in het presynaptisch axonuiteinde. Het idee is dat als presynaptische axonen zijn verdwenen door de toxiciteit van XTC, ook deze SERT-eiwitten er niet meer zouden moeten zijn.

 

2. Serotoninereceptoren: Wanneer een vermindering van het aantal serotonerge axonuiteinden optreedt, en dus van het aantal serotonerge synapsen, dan is ook sprake van een verminderd aantal serotonerge receptoren aan de postsynaptische dendrieten.

 

3. Volume en doorbloeding: Schade aan zenuwcellen in de hersenen gaat mogelijk gepaard met een verminderde doorbloeding (het gebied waar minder zenuwcellen actief zijn is minder actief en heeft minder bloed nodig). Wanneer een deel van de hersenen is afgestorven, althans de serotonerge zenuwcellen, zou dit gepaard kunnen gaan met een verandering van het hersenvolume.

 

4. N-Acetylaspartaat is een stof die alleen in zenuwcellen voorkomt. Een verlaging van de concentratie van deze stof in een bepaald hersengebied duidt mogelijk op de verminderde aanwezigheid van bepaalde zenuwcellen. Deze methode is niet erg specifiek.

 

5. Opname en doorbloeding van glucose: Wanneer een gebied in de hersenen actief is heeft het grondstoffen nodig voor de energievoorziening. Wanneer in een gebied sprake is van verminderde activiteit door het afsterven van axonuiteinden, dan is minder energie nodig. Glucose is de basisgrondstof voor de energievoorziening van de hersenen. Wanneer in een bepaald deel van de hersenen een vermindering van de glucoseopname wordt gemeten dan betekent dat dat er een verandering van de energievoorziening heeft plaatsgevonden. Dit kan het gevolg zijn van het afsterven van axonen.

 

Neurofysiologische metingen