2C-B (4-bromo-2,5-dimethoxyphenetylamine): een fenylethylamine met hallucinogene werking vergelijkbaar met die van mescaline, de werkzame stof van de peyote cactus. De stof is verwant aan XTC-achtige stoffen zoals MDMA, MDA en MDEA.

3,4-methyleen-dioxy-methyl-amfetamine (MDMA): chemische naam voor de stof MDMA die aan ecstasy zijn psychoactieve eigenschappen geeft.

5‑hydroxyindolazijnzuur; 5-HIAA: afbraakproduct van serotonine. De hoeveelheid van deze stof in het ruggenmergsvocht wordt wel gebruikt als maat voor de functionaliteit van het serotonerge systeem in de hersenen. Als er geen serotonine meer is, of als er te weinig is, is er ook te weinig van het afbraakproduct.

5-hydroxytryptamine (5-HT): synoniem voor de neurotransmitter serotonine.

Abortus provocatus, ook wel therapeutische abortus: opzettelijk afbreken van de zwangerschap. Als er gegronde redenen zijn, kan een abortus onder bepaalde omstandigheden legaal worden uitgevoerd in een abortuskliniek of ziekenhuis. Veel abortussen worden om maatschappelijke of psychiatrische redenen uitgevoerd, de anderen vanwege lichamelijke aandoeningen. Sommige vormen van hart- of nierziekte en sommige soorten kanker -vooral die van de baarmoederhals of de borsten- kunnen door zwangerschap verergeren. Bijna alle artsen vinden in zo’n geval abortus gerechtvaardigd. Bepaalde afwijkingen aan de foetus die tot een abnormale baby leiden kunnen ook een abortus rechtvaardigen. Veel van deze afwijkingen kunnen worden vastgesteld met een echoscopie, vruchtwaterpunctie of chorionvlokkentest. Een therapeutische abortus is het veiligst vóór twaalf weken en de methode verschilt met het stadium van de zwangerschap. Bijna altijd wordt bij abortus algehele verdoving gebruikt. Tot ongeveer veertien weken wordt abortus meestal gedaan door dilatatie van de baarmoederhals met een opeenvol­ging van gladde staven van steeds grotere doorsnee, gevolgd door vacuümzuigen via een buis of voorzichtig schoonschrapen met een curette.

Acetylcholine: neurotransmitter die de prikkeloverdracht verzorgt van zenuwcel op dwarsgestreepte spiervezel. Op vele plaatsen in het lichaam brengt acetylcholine prikkels over, met als gevolg: samentrekken van maag en darmen, uitscheiden van sappen door de spijsverteringsklieren, samentrekken en aanmaak van slijm in de bronchiën, pupilvernauwing, het wijder worden van bepaalde bloedvaten (waardoor de bloeddruk daalt).

Actueel gebruik: gebruik van een middel in de afgelopen maand, ongeacht de frequentie (van eenmalig tot dagelijks).

Acute toxiciteit: omvat de ongewenste verschijnselen die optreden na (eenmalige) inname van het middel; dronken­schap is bijvoorbeeld het gevolg van acute alcoholvergiftiging.

Adrenaline: hormoon dat wordt geproduceerd door het merg van de bijnieren, daar onder bepaalde omstandigheden aan het bloed wordt afgegeven en op verschillende organen inwerkt. Adrenaline is behalve hormoon ook neurotransmitter. De voornaamste effecten van adrenaline zijn: versnelling van de hartslag en toename van de kracht van de hartspiersamentrekking, vernauwing van de bloedvaten in de huid en de ingewanden, verwijding van de bloedvaten in de spieren en de hartwand, stijging van de bloeddruk, verslapping van de gladde spieren in de inwendige organen, verwijding van de luchtpijp en de bronchiën, vermindering van de afscheiding van spijsverteringssappen, verwijding van de pupil en aanzetting van de lever tot afgifte van glycogeen (de ‘brandstof’ voor de spieren). Uitwendig is de verhoogde adrenalineproductie merkbaar door pupilverwijding, bleke gelaatskleur (vaatvernauwing), versnelde ademhaling, versnelde pols. [Meer informatie]

Afhankelijkheid: gewenning van een druggebruiker aan een drug die zo sterk is dat hij/zij ontwenningsverschijnselen krijgt wanneer er te veel tijd verstrijkt tussen twee opeenvolgende doses van de drug. Bij geestelijke afhankelijkheid is het zo dat de gebruiker niet meer goed kan functioneren wanneer hij de drug niet meer krijgt.[Zie ook verslaving]

Alkaloïden: een groep van, in het plantenrijk voorkomende, basische verbindingen met zeer uiteenlopende structuren. De meeste alkaloïden hebben een effect op het centrale zenuwstelsel.

Ambulante verslavingszorg: verslavingszorg waarbij de cliënt niet wordt opgenomen in een instelling. Bij intramurale verslavingszorg wordt de cliënt wel opgenomen in een instelling.

Amfetamine (speed, pep): een stimulerend middel dat in een laboratorium wordt gemaakt. Stoffen die hetzelfde effect hebben als amfetamine zitten ook in planten als bijvoorbeeld khat en efedra. Zo bevat de efedra plant 1% efedrine. Amfetamine is verkrijgbaar als pil of als poeder. Het is vaak vermengd met andere stoffen. In het verleden zijn amfetaminen wel in de geneeskunde gebruikt, bijvoorbeeld tegen depressies en als eetlustremmer. Vanwege het risico op verslaving en bijwerkingen wordt het daarvoor niet meer gebruikt. Het wordt in Nederland alleen nog toegepast voor de behandeling van ADHD en narcolepsie.

Amygdala: amandelvormige kern. Eén van de kernen in de hersenen. [Meer informatie]

Antagonist: een middel dat het optreden van een reactie van het lichaam op een hormoon, neurotransmitter, geneesmiddel of drug voorkomt.

Analepticum: middel dat het centraal zenuwstelsel stimuleert. De werking strekt zich voornamelijk uit tot stimulatie van de ademhaling en de bloeddrukregulatie. In de geneeskunde worden zij nog maar weinig gebruikt. De bekendste zijn amfetamine en cafeïne.

Anterograad: van het cellichaam in de richting van het zenuwuiteinde, i.t.t. retrograad. [Figuur]

Antidiuretisch: de waterafgifte tegengaand. Diuretisch wil zeggen de waterafgifte bevorderend.

Ataxie: verlies van spiercoördinatie.

Atropine: een stof die in verschillende plantensoorten uit de Nachtschadefamilie voorkomt, bijv. in wolfskers (Atropa belladonna). Het is een witte, bittere stof die voor de mens erg giftig, zelfs dodelijk, kan zijn. Het wordt in de oogheelkunde toegepast als pupilverwijder. In 1997 werd in ecstasypillen atropine aangetroffen. Eind 2004 en in de zomer van 2005 werd door het DIMS atropine gevonden in cocaïnepoeders. Dit leidde tot tientallen ziekenhuisopnames. Door snelle waarschuwingsacties is het in Nederland, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Italië, niet tot dodelijke ongevallen gekomen.

Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD): term waarmee bepaalde leer- en gedragsstoornissen bij overbeweeglijke, impulsieve kinderen wordt aangeduid.

Autonoom zenuwstelsel: deel van het zenuwstelsel, dat motorische zenuwen afgeeft naar de gladde spieren van de darm en inwendige organen en naar de hartspier. Het omvat het sympathisch en het parasympathisch zenuwstelsel. Wanneer het sympathisch zenuwstelsel geprikkeld wordt nemen de hartslag, ademhaling en bloeddruk toe en vertragen de verteringsprocessen. Stimulatie van het parasympathische zenuwstelsel vermindert de hartslag en stimuleert de spijsvertering. Elk orgaan wordt geïnnerveerd door beide systemen. De onderlinge stimuleringsverhouding bepaalt het netto-effect op het desbetreffende orgaan. Veel functies van het autonome zenuwstelsel, zoals de controle van de hartslag en de bloeddruk, worden geregeld door centra in de medulla oblongata (verlengde merg). Zie ook sympathisch zenuwstelsel. [Figuur]

Axon: zenuwuitloper. Een zenuwcel of neuron bestaat uit één of meerdere ontvangende uitlopers, de dendrieten, (lopen naar het cellichaam toe) en één uitloper die informatie doorgeeft aan andere cellen, het axon. Deze loopt dus van het cellichaam af. [Figuur] [Meer info][Meer informatie]

Barbituraat: geneesmiddel dat gebruikt wordt wegens de remmende werking die het op het centraal zenuwstelsel uitoefent. Barbituraten werden vroeger veel gebruikt als slaapmiddel en anti-epilepticum. Er bestaat gevaar voor vergiftiging. Het gebruik van barbituraten kan tevens leiden tot verslaving, een overdosis kan de dood tot gevolg hebben.

Benzylmethylketon (BMK; 1-phenyl-2-propanon): grondstof (precursor) voor de bereiding van amfetamine en amfetaminederivaten, zoals methamfetamine en MDMA. Er is een levendige zwarte markt gericht op illegale fabrikanten.

Biochemie: tak van wetenschap waarin de scheikundige aspecten van de levende natuur worden bestudeerd. Levende natuur betreft dan mensen, dieren en planten. Zie ook neurobiochemie.

Bloed-hersen-barrière: groep moleculen in het lichaam, die dankzij hun structuur voorkomen dat bepaalde stoffen vanuit het bloed de hersenen kunnen bereiken.

Bommetje: een hoeveelheid speed, XTC of cocaïne in een vloeipapiertje gewikkeld. Dit wordt geslikt.

Bruxisme: tandenknarsen, het over elkaar heen schuiven van de tanden in de boven- en onderkaak waardoor een knarsend geluid ontstaat. Dit kan opzettelijk gebeuren, maar ook onbewust uit gewoonte, of in de slaap. Het is dan meestal een teken van innerlijke spanning of drugsgebruik. Langdurige overbelasting van het gebit door tandenknarsen leidt tot ernstige schade aan de tanden.

CAM, zie Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs.

Cafeïne, ook wel aangeduid als coffeïne: stof die voorkomt in o.a. koffiebonen, theebladeren en kolanoot. Het stimuleert het hart, bevordert de bloedvoorziening van de hersenen, verdrijft de slaapbehoefte en verhoogt de concentratie. Cafeïne wordt gebruikt in combinatie met pijnstillers als acetylsalicylzuur en paracetamol om het effect ervan te vergroten. Ook wordt het om die reden vaak toegevoegd aan illegale drugs als ecstasy, amfetamine en cocaïne (=versnijden); er is daardoor minder van de echte  ‘dure’ stof nodig.

Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM), landelijke commissie onder voorzitterschap van het ministerie van VWS die de risico's voor de volksgezondheid van (betrekkelijk) nieuwe drugs beoordeelt. Sinds januari 2006 berust het secretariaat bij het RIVM.

Het CAM heeft aanbevelingen gepubliceerd over:

Case report: beschrijving van een individuele ziektegeschiedenis.

CEDRO: centrum voor drugs onderzoek van de Universiteit van Amsterdam (Website).

Cellichaam van een zenuwcel: een zenuwcel bestaat uit een cellichaam met een kern en enkele andere belangrijke celelementen en uitlopers die van andere zenuwcellen afkomen (dendrieten) of die naar andere zenuwcellen toegaan (axonen).

Centraal zenuwstelsel: deel van het zenuwstelsel dat bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. [Figuur]

Cerebrale cortex: hersenschors. Bestaat uit zes cellagen grijze stof gevormd door zenuwcellichamen en steuncellen (glia), die in hun bouw en rangschikking van de cellen meer dan 200 schorsgebieden laten onderscheiden. De hersenschors toont plooien of windingen, gescheiden door groeven. Op grond van zeer diepe groeven worden aan de schors zowel rechts als links nog vijf hersenkwabben onderscheiden. [Zie ook hersenen]

Chinezen: gebruikswijze waarbij cocaïne of heroïne op zilverpapier of aluminiumfolie wordt verhit en de dampen via een buisje worden opgezogen (geïnhaleerd).

Chronische toxiciteit: betreft de schadelijke gevolgen van langdurige inname van een middel; levercirrose is het gevolg van chronische alcoholintoxicatie.

Cocaïne: een stof uit de bladeren van de cocaplant, die de terugopname van dopamine in de synaps blokkeert en het centraal zenuwstelsel stimuleert. Cocaïne veroorzaakt daardoor vrolijkheid (euforie) en ongevoeligheid voor honger en pijn. De werking is vergelijkbaar met die van amfetamine. Cocaïne is, in tegenstelling tot amfetamine, een natuurlijke drug.

Cognitief: de kennis betreffend, het gaat daarbij om activiteiten zoals denken, waarnemen, herinneren en aandacht.

Coke: onder gebruikers gebezigde benaming voor cocaïne. Soms worden meer bloemrijke omschrijvingen gebruikt zoals sneeuw, poedersuiker of de koning van alle drugs.

Computertomografie: beeldvormende technieken waarmee (bepaalde delen van) de hersenen of hersenprocessen zichtbaar gemaakt kunnen worden in levende organismen. De meest bekende zijn SPECT en PET-scan. [Meer informatie]

Corpus striatum: gebied in de hersenen die dopamine producerende cellichamen bevat en een cruciale rol speelt bij de fijnmotoriek.

Cortex: schors; hier wordt meestal de hersenschors bedoeld (Zie ook: cerebrale cortex en hersenen).

Cortisol: één van de hormonen die betrokken is bij de reactie van het lichaam op stress. Het wordt afgegeven door de bijnier aan de bloedbaan op commando van het hormoon ACTH uit de hypofyse. [Meer informatie]

Decongestivum: geneesmiddel dat gebruikt wordt om een opgezwollen (neus)slijmvlies te doen slinken.

Demand reduction: het tegengaan van het gebruik van illegale drugs (Zie ook: harm reduction).

Dendriet: zenuwuitloper. Een zenuwcel of neuron bestaat uit één of meerdere ontvangende uitlopers, de dendrieten, (lopen naar het cellichaam toe) en één uitloper die informatie doorgeeft aan andere cellen, het axon. Deze loopt dus van het cellichaam af. [Figuur] [Meer info][Meer informatie]

Denervatie: verdwijnen van zenuwuitlopers.

Depletie: uitputting.

Designerdrug: chemische variant op een bekende, al verboden drug.

Dextroamfetamine: vorm van amfetamine waarbij alle moleculen van het ‘rechtsdraaiende type’ zijn. Deze vorm is daardoor sterker dan de andere vormen van amfetamine.

Diagnostiek: vaststelling van de aard en de plaats van een ziekte of verwonding op grond van de verschijnselen.

DIMS: zie Drugs Informatie en Monitoring Systeem.

Distale axonen: zenuwuitlopers die informatie van de zenuwcel naar een volgende zenuwcel verzenden. Dit in tegenstelling tot proximale axonen, de zenuwuitlopers die informatie van andere zenuwen naar de zenuw toebrengen.

Dopamine: neurotransmitter betrokken bij de coördinatie van bewegingen (fijnmotoriek; de ziekte van Parkinson wordt veroorzaakt door afsterven van dopaminecellen in een bepaald deel van de hersenen, de substantia nigra). Ook bij schizofrenie en verslaving speelt de verstoring van het dopaminesysteem een belangrijke rol. Veel antipsychotica (middelen gebruikt bij de behandeling van schizofrenie) temperen de werking van dopamine in bepaalde delen van de hersenen. Dopamine ontstaat door omzetting uit Dopa, een stof die in het lichaam wordt gevormd door oxidatie van het aminozuur tyrosine. Het komt in het menselijk en dierlijk organisme ook voor als een precursor van de hormonen adrenaline en noradrenaline, dat daaruit door hydroxylering kan ontstaan. De chemische naam van dopamine is 2-amino-3-(3,4-dihydroxyfenyl)propaanzuur. Dopamine wordt afgebroken door het enzym monoamino-oxidase (MAO). Hierbij ontstaan DOPAC en de schadelijke stoffen waterstofperoxide en hydroxylradicalen. Deze stoffen kunnen zenuwcellen zodanig beschadigen dat deze afsterven. Men denkt dat ze betrokken zijn bij de neurotoxiciteit van ecstasy, doordat ze verantwoordelijk zouden zijn voor het afsterven van de axonen van serotonerge zenuwcellen.

Dopaminerg: dopamine bevattende zenuwen betreffend.

Dopaminerge zenuwcel: een zenuwcel die dopamine als neurotransmitter heeft.

Discocoke: benaming voor cocaïne die gesnoven wordt. Vaak gebruikt om aan te geven dat het om een mindere kwaliteit cocaïne gaat.

Dorsaal: aan de rugzijde gelegen

Dosis-effect-relatie: principe in de toxicologie dat stelt dat een schadelijk effect ernstiger is naarmate er meer van een schadelijke stof wordt toegediend.

Drug (algemeen): een stof die, dankzij zijn chemische karakter, een structuur of een functie in een levend wezen verandert.

Drug (verslavende): stof die afhankelijkheid veroorzaakt in bepaalde gebruikers onder bepaalde omstandigheden. Drugs worden op grond van de werking vaak onderverdeeld in stimulerende middelen ('uppers'), zoals amfetamine, verdovende middelen ('downers'), zoals heroïne, en geestverruimende middelen ('hallucinogenen'), zoals LSD.

Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS): netwerk van instellingen voor verslavingszorg. Het DIMS-project heeft als doel inzicht te krijgen in de markt van recreatieve drugs in Nederland en de veranderingen die zich daar op voordoen. Het DIMS probeert dit doel mede te verwezenlijken met behulp van aanleveraars die anoniem een drugsmonster kunnen aanbieden voor een test op samenstelling en dosering. De belangrijkste vragen die het DIMS zich stelt zijn: welke stoffen komen op de markt voor, wat zijn de gezondheidsrisico's, welke trends zijn er te bespeuren in Nederland en welke veranderingen doen zich voor? Het DIMS spoort ook gevaarlijke drugs op en kan, wanneer dat noodzakelijk is, via het landelijke het DIMS-netwerk acties ondernemen. Het DIMS voert dit project uit in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en heeft een beleidsondersteunende functie voor dit ministerie. Het DIMS rapporteert o.a. aan het ministerie van VWS, CAM (Coördinatiepunt Assessment en Monitoring), EMCDDA (European Monitoring Centre for Drugs and Drugs Addiction en NDM (Nationale Drug Monitor). Analyses van de drugsmonsters wordt uitgevoerd door het Deltalaboratorium te Poortugaal (Web).

Drugs: verdovend of hallucinerend middel. In niet-wetenschappelijke kringen worden allerlei termen door elkaar heen gebruikt. Zo wordt onder een verdovend middel veelal een stof verstaan die op lijst I of II van de Opiumwet staat, ongeacht of het een verdovend of stimulerend middel betreft. In het spraakgebruik worden ook begrippen als verslavende middelen, verdovende middelen en bewustzijnsverruimende middelen gebruikt. Eigenlijk wordt met de term drugs een middel bedoeld dat een verandering in het bewustzijn van de gebruiker tot stand brengt. Een wetenschappelijk meer correcte benaming is psychoactieve stof, hoewel daar ook legale geneesmiddelen mee bedoeld kunnen worden.

DSM: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. De DSM is een handleiding om te bepalen welke psychische stoornis iemand heeft. DSM-IV is de 4e versie.

Early Warning Mechanism: Europees samenwerkingsverband, opgezet op verzoek van de Europese Unie en Noorwegen door het EMCDDA. Het betreft een methodiek om nieuwe ontwikkelingen in druggebruik te signaleren. Het EMCDDA kan studies uitzetten om de toxicologie en farmacologie van nieuwe synthetische drugs in kaart te brengen. De uitkomsten kunnen leiden tot een advies aan de Europese Commissie om actie te ondernemen. In Nederland worden ontwikkelingen op drugsmarkten meestal opgepikt door het 'Drugs Informatie and Monitoring Systeem' (DIMS) van het Trimbos-instituut. Een landelijke commissie, het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM), beoordeelt de risico's voor de volksgezondheid van (betrekkelijk) nieuwe drugs.

Ecstasy: hallucinerend middel, afgeleid van amfetamine, dat een gelukzalig gevoel en onbedwingbare hang naar liefkozing teweegbrengt. Synoniemen: lovedrug, liefdespil, XTC. Feitelijk is deze omschrijving onjuist omdat de psychoactieve stof MDMA die in ecstasy zit eigenlijk nauwelijks hallucinerende effecten teweegbrengt en ook niet is afgeleid van amfetamine. Ecstasy is de naam die in de jaren tachtig is verzonnen om de toen nog nieuwe drug te kunnen verkopen. De chemische stof die verantwoordelijk is voor de effecten van ecstasy is MDMA. Ecstasytabletten, door gebruikers altijd pillen genoemd, zouden alleen MDMA (of andere XTC-achtige stoffen) moeten bevatten. In de praktijk is dit niet altijd het geval (Website).

EEG (elektro-encefalogram): afbeelding van de elektrische activiteit van de hersenschors, de buitenlaag van de hersenen. [Zie ook extra info]

Efedrine (1-fenyl-2-(methylamino)-1-propanol): stimulerend middel dat nauw verwant is aan amfetamine en toegepast wordt bij de behandeling van o.a. astma en hooikoorts. Het heeft een sterk bloeddrukverhogende werking. Producten met efedrine die werden gebruikt om af te slanken of om te ‘bodybuilden’ bevatten soms een hoge dosis van deze stof en konden daarom gevaarlijk zijn voor de gezondheid. Sinds 6 februari 2004 valt efedra, en dus ook efedra-bevattende producten, onder de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG). Vanaf die datum mogen efedra-alkaloïden uitsluitend nog als geregistreerd geneesmiddel worden verhandeld.

EMCDDA: zie European Monitoring Center for Drugs and Drug Addiction.

Entactogeen: gevoel van verbondenheid, openheid, welbevinden en het gemakkelijk contact kunnen maken. De term werd voor het eerst gebruikt door de farmacoloog Nichols bij het onderzoek naar de effecten van MDMA. [Ref]

Efedra: plantaardig product afkomstig van de efedraplant en waarvan efedrine de werkzame stof is. Efedra houdende producten werden in Nederland vooral verkocht als afslankmiddel en als "herbal energizers". Belangrijke verkooppunten waren drogisterijen, internetwinkels en smartshops. Tot 6 februari 2004 werden efedraproducten gezien als voedingsmiddelen en vielen daarmee onder de Warenwet. Na die datum is de status van efedra veranderd in een geneesmiddel en valt nu onder de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. Omdat efedra niet de registratieprocedure voor geneesmiddelen heeft doorlopen, is de verkoop ervan verboden.

Ephedra: plantengeslacht met een veertigtal soorten in Noord- en Zuid-Amerika en van het Middellandse-Zeegebied tot in China. Het zijn overwegend heesters van droge streken, wat in het uiterlijk van de plant ook zichtbaar is: groene, bezemachtige takken en kleurloze, kleine, schubvormige bladeren, die kruisgewijs tegenoverstaand zijn of in kransen staan. De plant bevat het stimulerende middel efedrine.

Epidemiologie: het wetenschappelijk onderzoek dat het verband nagaat tussen de verbreiding van bepaalde ziekten, verschijnselen of afwijkingen van lichamelijke of geestelijke aard en bepaalde factoren die wellicht de oorzaak van deze verbreiding kunnen zijn.

Extrapoleren: op basis van veronderstelde continuïteit of verwachte overeenkomst, projecteren op, toepassen op, uitbreiden over niet onderzochte gegevens

Erowid: organisatie die zich toelegt op het verspreiden van informatie over drugs. Ze beheert onder meer een zeer uitgebreide website met veel gedetailleerde informatie (www.erowid.org).

Euforie: gevoel van innige tevredenheid en vreugde.

European Monitoring Center for Drugs and Drug Addiction (EMCDDA): in 1993 opgericht Europees agentschap om de Unie en haar lidstaten te voorzien van objectieve, betrouwbare en op Europees niveau, vergelijkbare informatie over drugsgebruik en drugsverslaving en de gevolgen daarvan.  Het EMCDDA coördineert een netwerk van alle nationale Focal Points van de individuele lidstaten van de Unie die o.a. elk jaar een National Report voor het EMCDDA samenstellen en verantwoordelijk zijn voor de verspreiding van de informatie vanuit het EMCDDA. In Nederland is het uitvoerende Focal Point bij het Trimbos-instituut ondergebracht.

Exogene factoren: omstandigheden van buitenaf. Op houseparty’s en in het horecacircuit zijn factoren zoals drukte, temperatuur en lucht­vochtigheid medebepalend voor de gezondheid, de veiligheid en het welbevinden van de bezoekers.

Farmacologie: wetenschap die de werking van geneesmiddelen bestudeert.

Farmacologisch onderzoek: onderzoek naar het werkingsmechanisme van geneesmiddelen, meestal uitgevoerd in proefdieren.

Fenylethylamine (Phenylethylamine, PEA): een van nature in het lichaam voorkomende stof waarvan men denkt dat het een rol speelt bij de regulering van fysieke energie, stemming en attentie. Volgens populair wetenschappelijke media zou het stofje een rol spelen bij processen zoals liefde en aantrekkingskracht.

Functionele RMI (fMRI): een relatief nieuwe toepassing van MRI. Hiermee de activiteit in de hersenen tijdens het uitvoeren van een taak gemeten worden. Met fMRI is het mogelijk om veranderingen in functie al dan niet ten gevolge van structurele hersenschade op te sporen. Meestal wordt bij fMRI de hersenactiviteit tijdens een geheugentaak gemeten.

Focal point: nationaal bureau gegevensverzameling ten behoeve van de EMCDDA. Elke lidstaat van de Europese Unie heeft een focal point om ervoor te zorgen dat de landelijke gegevensverzameling voldoet aan de gezamenlijk overeengekomen Europese normen. In Nederland voert de NDM bij het Trimbos-instituut de taken van het focal point uit.

Frontaal: aan de voorzijde (van het hoofd) gelegen.

Food & Drugs Agency (FDA): onderdeel van het Amerikaanse ministerie van Health and Human Services. Voert onder meer taken uit die in Nederland worden uitgevoerd door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen en de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit.

Functioneel onderzoek: onderzoek naar functionele stoornissen (i.t.t. structurele of fysiologische stoornissen). Wordt meestal uitgevoerd met behulp van psychologische testen, bijvoorbeeld het onderzoek naar stoornissen van het geheugen. [Zie ook hoofdtekst]

Fysiologisch(e) zout(oplossing): oplossing van zout in water, die dezelfde concentratie van ionen (geladen 'zoutdeeltjes') heeft als het bloed. Een oplossing van fysiologisch zout wordt vaak gebruikt als een niet-werkzame controle-oplossing in farmacologisch onderzoek.

Gabberscene: substroming in de Nederlandse housemuziek. De muziekstijl was ruig en minder formeel dan de muziek op de 'mainstream' houseparty's. In plaats van ecstasy werd vaak amfetamine gebruikt.

Gabbercultuur: jeugdsubcultuur met als belangrijkste elementen een specifieke muziek­voorkeur (een voorliefde voor hardcorehouse) en specifieke stijlattributen een (gedeeltelijk) kaalgeschoren hoofd, een Australian trainingspak (Aussie) met (Chipie)spijkerbroek en Nike Air sportschoenen.

Gamma amino boterzuur (GABA): neurotransmitter die voornamelijk voorkomt in interneuronen, dat wil zeggen zenuwcellen tussen aanvoerende en afvoerende zenuwcellen, in de hersenen. Deze zenuwen hebben een remmende invloed op verschillende processen. Opheffen van deze remming door bijvoorbeeld alcohol veroorzaakt een vorm van stimulering. Dit is de reden waarom mensen na het drinken van bepaalde hoeveelheden alcohol ‘ontremd’ zijn en bijvoorbeeld makkelijker contact leggen met anderen. Ook benzodiazepinen zoals Valium® werken in op het GABA-systeem.

Gebruik: gebruik van een middel ooit in het leven (ooitgebruik), in het afgelopen jaar (recent gebruik), of in de afgelopen maand (actueel gebruik).

Gewenning: toestand waarin de gebruiker van een drug, om het gewenste effect te verkrijgen, een steeds hogere dosis van de stof moet innemen.

GHB (gammahydroxyboterzuur): straatnaam voor het middel GammaHydroxyButyraat (GammaHydroxyBoterzuur), dat vroeger werd gebruikt als inslaapmiddel bij operaties. Vanwege de trage inwerking en de ongewenste nawerkingen wordt GHB hiervoor niet meer gebruikt. GHB bestaat in flesjes en in poedervorm, het is geurloos en smaakt zout. GHB wordt in uitzonderlijke gevallen geproduceerd door de farmaceutische industrie. Daarnaast wordt het langs illegale weg geproduceerd. Sommige mensen kopen GHB via internet of maken het zelf. GHB valt sinds oktober 2002 onder de Opiumwet en staat op lijst II.

Hallucinatie: gewaarwording (zien, horen of voelen) die iemand heeft en die andere mensen niet hebben. Hallucinaties kunnen een symptoom zijn van een psychische stoornis, maar worden door sommige mensen bewust opgeroepen via hallucinogenen.

Hallucinogeen: middelen die hallucinaties oproepen zoals paddo's en LSD. Ook wel psychodysleptica genoemd. Ook cannabis kan soms hallucinaties veroorzaken.

Halfwaardetijd: de tijd die nodig is om de helft van een lichaamsvreemde stof uit het lichaam te verwijderen. Vaak aangeduid met t½.

Hardcore: snelle, harde vorm van muziek op houseparty's.

Harddrugs: drugs op lijst I van de Opiumwet. Deze drugs vormen volgens de wetgever een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid. Tot de harddrugs horen bijvoorbeeld heroïne, cocaïne, crack, ecstasy en amfetamine. De indeling is niet gestoeld op een wetenschappelijke basis.

Harm reduction: het tegengaan van de schadelijke effecten van het gebruik van illegale drugs (Zie ook: demand reduction).

Heropname-plaats: nadat een neurotransmitter door een zenuwuiteinde aan een synaptische spleet is afgegeven wordt deze aan een receptor gebonden. Daarna kan de neurotransmitter opnieuw worden gebruikt. Hiervoor is het noodzakelijk dat de neurotransmitter eerst weer in de presynaptische zenuw wordt opgenomen. Dat gebeurt door middel van speciale eiwitmoleculen die zich in de membraan van de presynaptische cel bevinden, de zogenoemde heropname eiwitten. De plaats waar dit proces plaatsvindt, dus waar deze heropname eiwitten zich bevinden, heten heropname-plaatsen.

Hersenstam: de eind- en tussenhersenen samen vormen de grote hersenen; de rest van de hersenen wordt meestal hersenstam genoemd. Het meest kenmerkende deel van de hersenen wordt gevormd door beide halfronden (hemisferen). Deze zijn tijdens de embryonale ontwikkeling ontstaan uit een rechter en een linker zijwaartse uitstulping van het voorste hersenblaasje. Beide halfronden samen vormen de eindhersenen. Tussen deze beide halfronden bevinden zich de tussenhersenen.

Hippocampus: een deel van de hersenen o.a. betrokken bij de vastlegging van informatie en daardoor belangrijk bij geheugenprocessen.

Hormoon: in het lichaam gemaakte stof met een regulerende werking, meestal gevormd in speciale klieren die het aan de bloedbaan afgeven.

Housemuziek: dans- en muziekstroming die sinds het eind van de jaren tachtig erg populair is onder uitgaande jongeren. De muziek is ontstaan uit de vermenging van soul en disco. De stroming is vernoemd naar de plek waar dj’s deze mix voor het eerst tot stand brachten, de Warehouse-club in Chicago. Het is elektronische dansmuziek, waarin ritme-, muziek -, zang- en tekstfragmen­ten met behulp van computers tot nummers worden gecomponeerd. De dansmuziek valt vooral op door zeer strakke ritmeschema's, de 'beat', waar overheen verschillende lagen andere geluidsfragmenten zijn gelegd.

Hulpstoffen: stoffen die in tabletten of pillen worden verwerkt maar zelf geen psychoactieve effecten bezitten. Het kunnen kleur-, geur of smaakstoffen zijn of stoffen die de stevigheid of het bij elkaar houden van een pil bevorderen.

Hyperthermie: verhoogde lichaamstemperatuur. [Meer informatie].

Hypofyse: hormoonproducerend kliertje dat zich bevindt in een holte in de schedelbasis onder aan de herenen. [Figuur]

hyponatriëmie: verstoorde zoutbalans door slecht functioneren van de nieren.

Hypothermie: verlaagde lichaamstemperatuur.

ICD: International Classification of Diseases. De ICD is het diagnostisch classificatiesysteem van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) voor lichamelijke ziektes, ongevallen en psychische stoornissen. Ook doodsoorzaken worden in ICD-codes geregistreerd. De ICD-9 is de 9e en de ICD-10 is de 10e versie.

Ice: rookbare vorm van methamfetamine. Zeer verslavend.

Insult (toeval): aanval, speciaal één van epileptische aard.

Idiopathisch: op zichzelf staande aandoening bestaand, niet het gevolg zijnd van andere aandoeningen.

Isotone zoutoplossing: een oplossing van natriumchloride (keukenzout) in water met eenzelfde concentratie als dit zout in bloed bezit (ca. 0, 9%). (Bij een te lage zoutconcentratie spreekt men van een hypotone oplossing, bij een te hoge zoutconcentratie van een hypertone oplossing.) In de geneeskunde wordt een dergelijke isotone oplossing (fysiologische zoutoplossing) gebruikt als infuus- en injectievloeistof, voorts voor (kortstondige) conservering van weefsels, orgaandelen of cellen in het laboratorium.

Klinisch onderzoek: systematisch onderzoek met een geneesmiddel bij menselijke proefpersonen om de effecten van een onderzoeksproduct vast te stellen of te bevestigen en/of eventuele bijwerkingen daarvan te signaleren en/of de absorptie, de distributie, het metabolisme en de uitscheiding van deze stof te bestuderen om zich te vergewissen van de werkzaamheid en de veiligheid.

Klompvoet: aangeboren afwijking van de vorm of plaats van één of beide voeten.

Langetermijneffecten: effecten die pas na een bepaalde tijd na het gebruik (langer dan 24-36 uur) ontstaan en die langer aanhouden of mogelijk zelfs niet meer herstellen.

Letaliteit: aantal sterfgevallen per 100 personen of dieren die aan een bepaalde ziekte lijden of met een bepaalde stof zijn behandeld, gerekend over een bepaalde tijdsperiode. Het begrip verschilt van het begrip mortaliteit, het aantal sterfgevallen per jaar per 1000 levenden. In de toxicologie is het een maat voor de giftigheid van een bepaalde stof.

Lethargie: toestand van algehele lusteloosheid, waarin alle aandrang tot activiteit ontbreekt.

Leverinsufficiëntie  slecht of niet functioneren van de lever.

Lijntje: aanduiding van een hoeveelheid cocaïne. De hoeveelheid kan verschillen, al naar gelang de lengte en de dikte van de lijnen.

Limbisch systeem: een vrij jong deel van de hersenen, centraal gelegen en ringvormig. Het bestaat uit een aantal met elkaar verbonden zenuwcellichamen en vertegenwoordigt veel van wat de hersenen bij de lagere zoog­dieren vormen. Het limbisch stelsel is met name belangrijk voor de coördinatie en regulatie van dat deel van de lichaamsfunctie dat onbewust en automatisch is (het autonome zenuwstelsel), maar deze functie gaat gepaard met emotionele reacties, vooral woede, angst en seksuele belangstelling, die veel voorkomen bij de mens en de lagere diersoorten. Het limbisch stelsel reguleert de ademhaling, lichaamstemperatuur, honger, dorst, waakzaamheid, seksuele activiteit en het verband tussen neurologische en hormonale functie, beheerst door de hypothalamus en de hypofyse. Aandoeningen van het limbisch systeem veroorzaakt emotionele verstoringen, zoals geforceerd of spastisch (pathologisch) lachen en huilen, agressie, woede, geweld­dadigheid, onbewogenheid, apathie, onrust, angst, depressie en verminderde seksuele belangstelling.

Locus coeruleus: kern in de hersenstam met noradrenaline als primaire neurotransmitter, stimulering van deze kern bevordert de waaktoestand.

LSD: afkorting van lyserginezuurdiëthylamide, een geestverruimend middel dat hallucinaties geeft. De werking ontstaat zelfs in hoeveelheden van enkele microgrammen. Mede door de toen heersende hippiecultuur werd het middel in de jaren zestig erg populair.

Ma Huang: de Chinese efedraplant. Wordt beschouwd als meest potente efedrasoort.

MAO: afkorting van monoamineoxidase, het enzym dat monoaminen zoals noradrenaline, dopamine en serotonine afbreekt.

MAPS: zie Multidisciplinary Association for Psychedelic Studies.

MBDB (N-methyl-1-(1,3-benzodioxol-5-ethyl)-2-aminobutaan ): evenals MDMA een amfetamine-achtige stof. Het effect is iets rustiger dan bij MDMA en ook is het entactogene effect iets minder heftig, het kent geen stimulerende werking. Het kwam begin jaren negentig voor in ecstasypillen, maar na enkele jaren verdween het geheel van de markt.

McCann, Una: onderzoekster, getrouwd met George Ricaurte. Heeft onderzoek gedaan naar de toxiciteit van MDMA in mensen.

MDA: een aan ecstasy (MDMA) verwante illegale drug. De drug maakte z’n entree op de illegale drugsmarkt in 1967 in San Francisco tijdens de ‘Summer of Love’. Het verloor echter al gauw weer z’n aantrekkingskracht. Pas nadat ecstasy in de vorm van MDMA zijn intrede deed verscheen het weer op het toneel. Het verschil met MDMA is dat MDA ook licht hallucinerend werkt (vooral visuele hallucinaties). Daarnaast is MDA zowel stimulerend als entactogeen. Het entactogene effect is minder sterk dan bij MDMA. Het hallucinogene effect is sterker bij hogere doseringen.

MDEA: een synthetische drug die sterk gelijkt op MDMA. Het verschil met MDMA is dat het entactogene effect minder is en het stimulerende (= amfetamine-achtige) effect overheerst. Het staat evenals MDMA op lijst I van de Opiumwet.

MDMA:de werkzame stof in een ecstasypil, afkorting van 3,4-methyleendioxymetamfetamine. MDMA heeft een tweeledig effect: het heeft zowel een stimulerende als een bewustzijnsveranderende werking. Wat betreft de  structuur lijkt een MDMA-molecuul zowel op amfetamine als op hallucinogene stoffen zoals mescaline. In wetenschappelijk onderzoek wordt de zuivere stof MDMA onderzocht. [Werking]

Mellow: vorm van muziek op houseparty's die melodieus is en minder hard dan hardcore muziek.

Mescaline (3,4,5-trimethoxyphenetylamine): een hallucinaties inducerende alkaloïde aanwezig in vele cactussen waarvan Lophophora williamsii, Trichocereus pachanoi en Pelecyphora aselliformis de belangrijkste zijn. In zuivere vorm is het een wit poeder.

Metaboliet(en): afbraakproduct(en) die ontstaan na omzetting van een stof in het lichaam.

Methamfetamine: stof die van amfetamine is afgeleid, het wordt gemaakt uit efedrine. Doordat het een methylgroep bevat lost het gemakkelijker in vet op en bereikt daardoor gemakkelijker de hersenen. De stof kan, net zoals crack-cocaïne gerookt worden. Het verschil is dat de crack-euforie enkele minuten duurt en de meth-euforie uren. De stof is erg verslavend en wordt met name in de Verenigde Staten geproduceerd en gebruikt. Het is daar inmiddels een groter probleem dan crack-cocaïne. In Nederland duiken geregeld berichten in de media op als zou het ook hier populair zijn in bepaalde uitgaanscircuits. Vooralsnog is daar niets van gebleken.

Methylfenidaat: geneesmiddel dat het centrale zenuwstelsel stimuleert. Het wordt gebruikt bij mensen met narcolepsie (aanvallen van zo maar in slaap vallen) en bij de behandeling van overactieve kinderen. De meest gebruikte vorm in Nederland is Ritalin®.[Meer informatie]

Misbruik: vorm van problematisch gebruik van een middel waarbij (nog) geen sprake is van verslaving. Misbruik wordt vastgesteld via diagnostische classificatiesystemen zoals de DSM. Kenmerken van misbruik zijn: verplichtingen thuis op school of op het werk niet nakomen, gebruik in gevaarlijke situaties (bijvoorbeeld autorijden onder invloed), in aanraking komen met justitie en doorgaan met het gebruik ondanks de problemen die daardoor ontstaan.

Monitoring: het systematisch uit onderzoek en registraties verzamelen van cijfers en andere feiten. Eigenlijk het volgen van een verschijnsel in de tijd. In het kader van deze website gaat het met name om cijfers over verslaving en drugsgebruik.

Monoamineoxidase: enzym dat monoaminen inactiveert (afbreekt).

Monoaminen: de neurotransmitters met één aminogroep: noradrenaline, adrenaline, dopamine, serotonine en tryptamine.

MRI: magnetic resonance imaging. Beeldvormende techniek waarmee de structuur en functie van bepaalde hersendelen kunnen worden bestudeerd. De techniek wordt ook kernspintomografie of NMR genoemd. Er kunnen doorsnedefoto's van (onderdelen van) het lichaam mee worden gemaakt. Met behulp van een zeer sterk magnetisch veld en korte radiogolven worden in het lichaam signalen opgewekt die vertaald worden naar een beeld van het inwendige. Patiënten bij wie dit onderzoek wordt gebruikt, worden dan ook in een zeer sterk magnetisch veld geplaatst (maar merken daar gewoonlijk niets van). Zie ook functionele MRI. [Zie ook hoofdtekst]

Multidisciplinary Association for Psychedelic Studies (MAPS) [www.MAPS.org]: Amerikaanse organisatie die zich toelegt op het bevorderen van onderzoek naar gebruik van stoffen zoals MDMA in de psychotherapie. De organisatie, oorspronkelijk opgezet door Rick Doblin, houdt op haar website de literatuur bij over onderzoek naar MDMA en financiert klinisch onderzoek naar medische toepassingen van MDMA [MAPS MDMA-literatuur].

Narcolepsie: een zeldzame aandoening waarbij overdag plotseling aanvallen optreden van onbedwingbare slaap.

Narcotica (meervoud van narcoticum): verwarrende term die niet veel meer wordt toegepast. Afgeleid van het Grieks en oorspronkelijk bedoeld om slaapverwekkende middelen mee aan te duiden. De betekenis van deze term is verschoven: er worden in het algemeen drugs mee aangeduid die gewenning, afhankelijkheid en verslaving kunnen veroorzaken, zoals de opiaten.

Narcotisch: narcose veroorzakend, verdovend, slaapverwekkend.

NVIC: Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum van het RIVM adviseert hulpverleners bij acute vergiftigingen. Ter ondersteuning van beleidsmaatregelen, signaleert het RIVM trends in de aard en frequentie van vergiftigingen en rapporteert deze aan de overheid. Ook onderzoekt het instituut volksgezondheidsrisico’s van micro-organismen in ons voedsel (Website).

Nationale Drug Monitor (NDM): samenwerkingsverband met twee functies: (1) overkoepeling van, en afstemming tussen, de in Nederland lopende projecten voor monitoring van verslaving en middelengebruik en (2) rapporteren aan nationale overheden en aan internationale en nationale instanties. De NDM werd in 1999 opgericht op initiatief van de minister van VWS. Sinds 2002 ondersteunt ook het ministerie van Justitie de NDM [Webpagina NDM].

Nationaal Prevalentie Onderzoek (NPO): onderzoek naar drugsgebruik dat eens in de 4 jaar plaatsvindt. Het onderzoek wordt gehouden onder een representatieve steekproef van Nederlanders van 12 jaar en ouder. Uitgevoerd door het CEDRO van de Universiteit van Amsterdam.

NDM: zie Nationale Drugs Monitor.

Nederwiet: wiet (een cannabisproduct) dat in Nederland wordt geproduceerd.

Neocortex: een deel van de hersenschors. [Zie ook hersenen]

Neurobiochemie: tak van wetenschap die de biochemie van het zenuwstelsel onderzoekt.

Neuro-endocrien: betrekking hebbend op hormonen afgegeven door zenuwcellen.

Neurologie: medische wetenschap van het zenuwstelsel en de aandoeningen ervan. Door de toepassing van een groot scala aan beeldverwerkende technieken heeft de neurologie de afgelopen jaren grote veranderingen ondergaan.

Neuron: zenuwcel. Een zenuwcel bestaat uit een cellichaam, aanvoerende vezels, de dendrieten, en een afvoerende uitloper, het axon. [Figuur][Meer informatie][meer info]

Neuropsychiatrie: tak van de geneeskunde die de psychiatrische effecten van aandoeningen van neurologische functies of structuren onderzoekt. Met moderne medische technieken is men steeds vaker in staat een verband te leggen tussen aantoonbare veranderingen in de hersenen en de daaruit voortvloeiende veranderingen in de psyche.

Neuropsychologische testen: onderzoeken waarmee stoornissen in bepaalde hersenfuncties en hersengebieden kunnen worden gemeten. [Zie ook hoofdtekst]

Neurotoxiciteit: schade (toxiciteit) aan zenuwcellen of aan de hersenen veroorzaakt door een stof, bijvoorbeeld een geneesmiddel of een drug.

Neurotransmitter (overdrachtstof): lichaamseigen stof die prikkels overbrengt tussen zenuwen onderling en tussen zenuwen en spieren. De belangrijkste neurotransmitters zijn acetylcholine, dopamine, noradrenaline, serotonine en GABA. [Figuur]

Neurotransmittersystemen: samenspel van chemische stoffen die een rol spelen bij de prikkeloverdracht in de zenuwuiteinden en tussen de verschillende zenuwen in de hersenen.

Neusje: aanduiding voor een snuifje cocaïne. Vormt vaak een onderdeel van een code tussen gebruikers onderling. Men spreekt dan van 'een fris neusje halen', 'een wit neusje halen' of 'even de neus poederen', om aan te geven dat men cocaïne gaat snuiven.

Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs (NIAD): instituut voor onderzoek naar alcohol en drugs. Vormt tegenwoordig met het Nederlands Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid (NCGV) het Trimbos-instituut.

Noradrenaline: neurotransmitter die nauw verwant is met adrenaline. De stof komt evenals adrenaline vrij bij het stimuleren van het bijniermerg en van sympathische vezels van het autonoom zenuwstelsel. De belangrijkste effecten zijn stimulatie van de hartactiviteit en vernauwing van bloedvaten, waardoor de bloeddruk stijgt. In het centraal zenuwstelsel speelt noradrenaline een rol bij de regulatie van de bloeddruk en de gemoedstoestand.

NPO: Nationaal Prevalentie Onderzoek.

Ontwenningsverschijnselen: reactie van het lichaam op het ontbreken van een drug, nadat een toestand van afhankelijkheid/verslaving is ontstaan. De reactie verschilt per drugsgroep. De overeenkomst is dat de verschijnselen zeer onaangenaam zijn.

Oraal: via de mond (bijvoorbeeld: orale geneesmiddelen moeten worden ingeslikt).

Opiaten: verdovende middelen met morfine-achtige effecten van alkaloïde oorsprong, of die van deze alkaloïden zijn afgeleid. De stoffen vertonen sterke overeenkomst in chemische structuur en werking. Bekende voorbeelden zijn morfine en heroïne.

Orthosympathisch zenuwstelsel: ook kortweg het sympathisch zenuwstelsel of sympathicus genoemd. Door de sympathische zenuwcellen wordt het lichaam in een grotere staat van actie gebracht. [Zie sympathisch zenuwstelsel]

Ooitgebruik: het gebruik van een middel ooit in het leven, ongeacht de frequentie (van éénmalig tot dagelijks).

Paniekstoornis: een psychische aandoening die gekenmerkt wordt doordat over een langere periode gezien meerdere aanvallen van paniek voorkomen. Paniek is hier een plotselinge, hevige schrik, gepaard gaande met heftige lichamelijke verschijnselen die een angstaanjagend gevoel geven.

Parameter: variabele. Een grootheid die onder bepaalde omstandigheden kan veranderen en die men kan meten.

Paranoïde psychose: psychose die gepaard gaat met waanbeelden, meestal van vervolging of grandeur.

Parkinson: een ernstige ziekte van het centraal zenuwstelsel die wordt gekenmerkt door bewegingsarmoede en verlangzamen van de bewegingen.

Peilstationsonderzoek scholieren: onderzoek naar gebruik van alcohol, drugs en tabak onder scholieren van 10-18 jaar in de twee hoogste groepen van de basisscholen en het ‘reguliere’ voortgezet onderwijs: brugklas, vmbo, havo en vwo. Het onderzoek is gehouden in 1984, 1988, 1992, 1996, 1999 en 2003. Soms worden projecten op bijzondere scholen uitgevoerd.

Pep en speed: straatnamen voor 'wekaminen' of amfetaminen. Amfetaminen zijn chemische stoffen die stimulerend werken op het centrale zenuwstelsel. Er zijn verschillende soorten wekaminen. De belangrijkste zijn (dex)amfetamine en methamfetamine. Ze verschillen van elkaar in sterkte en werkingsduur. Amfetamine is te koop als pil of in poedervorm. Meestal wordt het geslikt, maar het kan ook gespoten of gesnoven worden.

PET-scanner (Positron Emission Tomography-scanner): medisch onderzoeksapparaat, waarmee doorsnedefoto’s en driedimensionale afbeeldingen van (onderdelen van) het lichaam kunnen worden gemaakt. Het apparaat is met name geschikt voor het verkrijgen van ruimtelijke informatie over lichaamsprocessen, zoals hersenactiviteit. [Zie ook hoofdtekst]

Pilotstudy: proefonderzoek of vooronderzoek.

Piperonylmethylketon (PMK; 3,4-methyleendioxyphenyl-2-propanon): kleurloze tot lichtgele vloeistof met lichte anijsgeur. Categorie I stof, altijd vergunningplichtig in het kader van de Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën. Gebruikt voor de productie van bestanddelen van parfum, in organische synthese reacties. Beter bekend vanwege het illegale gebruik als grondstof voor de bereiding van MDMA, MDEA en MDA.

Plasticiteit: het vermogen zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. [Meer informatie]

Plateau – niveau: tijdsperiode gedurende welke een bepaald (maximaal) effect van een drug aanwezig is. [Figuur]

Plofje (ploffie): benaming voor een sigaret of sjekkie met daarin cocaïne.

PMA: PMA is een synthetische verbinding met als volledige chemische naam 1-(4-methoxyfenyl)-2-aminopropaan, ook wel afgekort tot para-methoxy-amfetamine (of 4-methoxyamfetamine, 4-MA). PMA komt voor in als 'ecstasy' verkochte pillen, onder verschillende namen en logo's, zoals Death, Red Mitsubishi, Superman, Nike en Elephant.

PMA is begin jaren 70 voor het eerst aangetroffen in de VS en Canada. In 1998 verscheen het middel op de Europese markt. In 2000 werd PMA door het DIMS gesignaleerd in XTC-pillen in Nederland. Er zijn diverse sterfgevallen in verband met dit middel gemeld.

PMMA: para-methoxy-methylamfetamine (of 4-methoxymethylamfetamine, 4-MMA). Een aan PMA verwante stof. Het werd enkele jaren geleden voor het eerst in XTC-pillen aangetroffen. CAM en EMCDDA hebben een risicoschatting uitgevoerd voor PMMA.

Polydruggebruik: het gebruik van meerdere drugs door elkaar, bijvoorbeeld XTC en GHB, XTC en amfetamine, XTC en alcohol en XTC en cocaïne.

Polymorfie: verscheidenheid, in bijvoorbeeld de activiteit van enzymen, door genetische verschillen.

Postsynaptisch: gelegen in het dendriet deel van de synaps. [Figuur]

Precursor: grondstof, eenvoudiger voorstadium, bijvoorbeeld van een complex molecule.

Precursorenwet (Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën (WVMC)): in 1995 in werking getreden wet die de uitvoering van Europese Richtlijn 109/92 regelt. In de wet zijn de bepalingen van de EG-regelgeving nader uitgewerkt en als verbodsbepalingen opgenomen. De wet wordt in 2006 herzien.

Predispositie: voorbestemming tot het krijgen van, of vatbaarheid voor een bepaalde ziekte. Alleen erfelijke predispositie heeft een aantoonbare betekenis: bij elke erfelijke ziekte die zich niet reeds bij de geboorte manifesteert, ligt een latente aanleg (predispositie) voor die ziekte in de genen vast. Onder een constitutionele predispositie verstaat men een verminderde weerstand tegen bepaalde ziekteverwekkende invloeden. Deze kan blijken door een verhoogde vatbaarheid, door een ernstiger verloop van de ziekte of ook door een neiging tot chronisch worden. Voorts spreekt men van een verworven predispositie; een voorbeeld is die voor een hernia door bijv. zwaar lichamelijk werk met veel bukken en tillen.

Prefrontale cortex: hersengebied betrokken bij denken, waarnemen, herinneren, aandacht en het genereren van nieuwe associaties. Het is gelegen direct achter het voorhoofd.

Presynaptisch: gelegen in het axonuiteinde deel van een synaps. [Figuur]

Primaire doodsoorzaak: de directe oorzaak van iemands overlijden. Overlijdt iemand direct door een overdosis drugs, dan is dat de primaire doodsoorzaak. Overlijdt iemand door een ongeval dat plaatsvindt onder invloed van een drug, dan is het ongeval de primaire doodsoorzaak. De drug is dan een secundaire doodsoorzaak.

Primaten: orde van zoogdieren. Omvat de apen, mensapen en de mens. De meeste primaten zijn relatief ongespecialiseerde, in bomen levende, zoogdieren met zeer hoog ontwikkelde hersenen, snelle reacties en grote voorwaarts gerichte ogen. De jongen ondergaan een lange groei- en ontwikkelingsperiode, gedurende welke zij van hun ouders leren. Op de plaatjes de gibbon en orang oetan[Figuur 1] en makaak (links, boven), neusaap (rechts, boven), varkensstaart aap (beneden)[Figuur 2].

Problematisch gebruik: het gebruik van een middel op zo'n manier dat hierdoor lichamelijke, psychische of sociale problemen ontstaan, of op zo'n manier dat maatschappelijke overlast ontstaat. Problematisch gebruik is niet altijd verslaving. "Misbruik" is een vorm van problematisch gebruik waarbij geen sprake is van verslaving.

Prolactine (luteotroop hormoon; LTH): vrouweljk geslachtshormoon onder meer betrokken bij de aanmaak en afgifte van moedermelk. het hormoon prolactine wordt in een klier in de hersenen, de hypofyse, aan de bloedbaan afgegeven.

Prolactinerespons: het hormoon prolactine wordt in een klier in de hersenen, de hypofyse, aan de bloedbaan afgegeven. Deze afgifte wordt gereguleerd door dopaminerge en serotonerge zenuwen. Wanneer serotonerge zenuwen aangetast zouden zijn, zou men een verandering van het hormoon prolactine aan de bloedbaan verwachten. Omdat MDMA serotonerge zenuwen beïnvloedt, kan men verwachten dat na regelmatige inname van MDMA ook de prolactine-afgifte aan het bloed is verstoord. Metingen van prolactine in het bloed na gebruik van MDMA hebben dit inderdaad aangetoond.

Prospectief onderzoek: onderzoek waarin een groep personen in de tijd wordt gevolgd. Dit type onderzoek geeft een beter beeld van de effecten die door een bepaalde factor, bijvoorbeeld XTC-gebruik, worden veroorzaakt. Evenals in retrospectief onderzoek worden ook hier de te onderzoeken patiënten of proefpersonen vergeleken met een controlegroep van op andere punten vergelijkbare niet-gebruikers.

Proximale axonen: zenuwuitlopers die informatie van andere zenuwen naar de zenuw toebrengen. Zie ook distale axonen.

Pruning: eigenlijk snoeien. In de neurotoxicologie het proces waarbij uitlopers van zenuwcellen verdwijnen, bijvoorbeeld door afbraak.

Psychedelisch: de werking van het bewustzijn, het denkproces, de waarneming veranderend, verruimend, in feite hallucinerend. Synoniem: bewustzijnsveranderend, psycholytisch.

Psychoactieve stoffen: stoffen die direct of indirect een werking hebben op de hersenen. Deze stoffen beïnvloeden de werking van de zenuwcellen en kunnen van invloed zijn op de stofwisseling, zoals de afbraak van medicijnen. Om een effect te hebben op de hersenen moeten ze de bloed-hersenbarrière kunnen passeren. Deze omschrijving geldt zowel voor legale en illegale roes- en genotmiddelen alsook voor geregistreerde (psycho)farmaca. Om verwarring te voorkomen worden onder psychoactieve stoffen vaak alleen legale en illegale stoffen verstaan, die in eerste instantie als roes- of genotmiddel worden gebruikt. Vaak wordt gesproken van psychoactieve stoffen wanneer medicijnen worden gebruikt als roes- of genotmiddel. Ook wanneer roes- en genotmiddelen in eerste instantie worden gebruikt voor zelfmedicatie, delen we deze middelen onder in deze categorie. In de praktijk gaat het vooral om nicotine (tabak), alcohol en middelen die vermeld staan in de Opiumwet en als 'drug' verhandeld worden. Verder betreft het slaap- en kalmeringsmiddelen, die veelal door de huisarts worden voorgeschreven.

Psychofarmaca: geneesmiddelen die het centraal zenuwstelsel beïnvloeden. Meestal brengen zij veranderingen teweeg in de psychische gesteldheid. De psychofarmaca worden meestal ingedeeld naar toepassingsgebied. Bekende psychofarmaca zijn antidepressiva tegen depressies, anxiolytica of angstremmende stoffen en antipsychotica ter behandeling/bestrijding van psychosen.

Psychose: stoornis van de psychische functies of het gedrag, waarbij de patiënt niet in staat is onderscheid te maken tussen wat hij van binnenuit voelt en invloeden die van buitenaf komen. De patiënt is het contact met de realiteit kwijt.

Psychotherapie: vorm van therapeutisch handelen waarbij uitsluitend psychische beïnvloedingsmiddelen worden aangewend om stoornissen op te heffen en ziekten te verbeteren of te genezen en waarbij geen gebruik wordt gemaakt van fysieke ingrepen, medicamenten e.d.

Psychotisch: de kenmerken van een psychose vertonend.

Recent gebruik: het gebruik van een middel in het afgelopen jaar, ongeacht de frequentie (van eenmalig tot dagelijks).

Receptor: specifieke bindingsplaats voor lichaamseigen (maar ook voor lichaamsvreemde, zoals geneesmiddelen) stoffen zoals neurotransmitters. De werking van een stof begint wanneer de stof aan de receptor is gebonden. Door deze binding wordt een bepaalde activiteit in gang gezet, bijvoorbeeld het samentrekken van een spier of het doorgeven van een elektrische prikkel. In een synaps tussen twee neuronen bevinden zich veel receptoren op het postsynaptisch deel van de synaps. [Figuur]

Recreatief gebruik: gebruik van een middel (doorgaans in de vrije tijd) waarbij van het middel wordt genoten zonder dat er sprake is van problematisch gebruik (misbruik of verslaving).

Retrograad: van axonuiteinde in de richting naar het cellichaam. [Figuur]

Retrospectief: terugkijkend naar wat vroeger gebeurd is. In een retrospectief onderzoek wordt gekeken naar ziekten, aandoeningen of processen die in het verleden hebben plaatsgevonden of zijn begonnen. In een dergelijke studie worden de personen die men onderzoekt, bijvoorbeeld XTC-gebruikers, vergeleken met andere personen die een gelijke geschiedenis hebben als de onderzoeksgroep zonder de te onderzoeken parameter (bv. het XTC-gebruik). Eén van de belangrijkste nadelen van retrospectief onderzoek is dat men afhankelijk is van het geheugen van de proefpersoon, bijvoorbeeld over de verklaring over hoe vaak hij of zij XTC gebruik heeft.

Reversibel: omkeerbaar. In de toxicologie wordt hiermee bedoeld of het schadelijke effect van een stof wel of niet tenietgedaan kan worden.

Ricaurte, George; onderzoeker. Geldt als dé autoriteit op het gebied van de neurotoxiciteit van XTC. In 1985 rapporteerde hij als één van de eersten dat een XTC-achtige stof, MDA, in ratten serotonerge zenuwceluitlopers kon beschadigingen. Inmiddels heeft hij vele onderzoeken op zijn naam staan waarin de neurotoxiciteit van MDMA is aangetoond. Samen met zijn vrouw Una McCann heeft hij ook gewerkt aan klinisch toxicologisch onderzoek. In 2003 kwam hij in opspraak doordat hij een artikel, gepubliceerd in Science, moest terugtrekken omdat in het onderzoek in plaats van MDMA methamfetamine was gebruikt.

Ritalin®: methylfenidaat, geneesmiddel dat het centrale zenuwstelsel stimuleert. Het wordt gebruikt bij mensen met narcolepsie (aanvallen van zomaar in slaap vallen) en bij de behandeling van overactieve kinderen [ADHD].

Safe House Campagne (SHC): initiatief van het Amsterdamse Adviesburo Drugs om de risico's voor bezoekers van grootschalige dance-evenementen te minimaliseren. Specifieke vraagbaak en ondersteu­ning voor organisatoren van (grootschalige) houseparty's; training, informatie en voor­lichting, assistentie en consultatie van EHBO-personeel; voorlichting aan gebruikers die middelen hebben aangeschaft op de vervuilde XTC-markt; het uitvoeren van waarschuwingscampagnes wanneer partijen drugs op de markt verschijnen die een direct gevaar voor de volksgezondheid betekenen; bood de mogelijkheid om pillen te laten testen door bezoekers van (grootschalige) houseparty's. In 1999 is het Adviesburo Drugs gestopt met de Safe House Campagne. Sindsdien wordt er in Nederland geen XTC meer getest op feesten.

Safrol (5-(2-propenyl)-1,3-benzodioxole): wordt gebruikt als geurstof in de parfumindustrie, voor de productie van piperonal en enkele andere syntheseprocessen. Vooral bekend als basisgrondstof voor de bereiding van MDMA. Valt onder de Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën (WVMC).

Secundaire doodsoorzaak: een oorzaak die indirect heeft bijgedragen aan het overlijden. Overlijdt iemand door een ongeval dat plaatsvond terwijl hij/zij onder de invloed was van een drug, dan is de drug een secundaire doodsoorzaak.

Serotonerge zenuwcel: zenuwcel die als neurotransmitter serotonine gebruikt. [Meer informatie]

Serotonine (5-hydroxytryptamine; 5-HT): neurotransmitter die behalve in de periferie belangrijke functies vervult in het centrale zenuwstelsel. Functies waar serotonine bij betrokken is zijn bijvoorbeeld stemming, eetlust, leervermogen, impulsiviteit en slaap. Serotonine wordt gevormd uit tryptofaan, een belangrijk voedingssupplement. Het enzym monoamino-oxidase (MAO) breekt serotonine uiteindelijk weer af. Hierbij ontstaat het afbraakproduct 5-hydroxyindolazijnzuur (5-HIAA). De werking van XTC berust deels op het effect wat de actieve stof, MDMA, heeft op de afgifte van serotonine aan de synaptische spleet. De moderne antidepressiva zijn grotendeels serotonine heropname remmers die er voor zorgen dat er meer serotonine in de synaptische spleet aanwezig is. Een tekort aan serotonine lijkt iets te maken te hebben met depressies. Ook is serotonine betrokken bij de regulatie van agressie. [Meer informatie]

Serotonineneuronen: zenuwcellen (=neuroben) die serotonine produceren.

Serotonineheropnameremmer (specific serotonin reuptake inhibitors) in het Nederlands specifieke serotonine heropname remmers: geneesmiddelen (antidepressiva) die hun naam ontlenen aan de specifieke blokkade van de heropname van serotonine nadat deze in een serotonerge zenuwuiteinde aan de synaptische spleet is afgegeven. SSRI’s worden chemisch onderscheiden in twee groepen: de bicyclische: sertraline (Zoloft®) en paroxetine (Seroxat®) en de monocyclische SSRI’s: fluoxetine (Prozac®) en fluvoxamine (Fevarin®). [Hoofdtekst][Meer informatie]

SERT: het presynaptisch gelegen serotoninetransporteiwit; dit eiwit pompt serotonine van de synaps terug in de zenuwcel zodat het opnieuw gebruikt kan worden. [Meer informatie]

Shulgin: Alexander Shulgin is een (bio)chemicus. Deze wetenschapper heeft meer dan veertig jaar gewerkt aan de ontwikkeling, synthese en het beoordelen van nieuwe psychoactieve drugs. In zijn beginperiode werkte hij mee aan onderzoeken naar de psychische effecten van de stof MDMA. De nieuwe stoffen die hij heeft gesynthetiseerd heeft hij samen met zijn vrouw en een paar vrienden steeds eerst op zichzelf uitgetest. De beschrijvingen van de syntheseprocessen en van de effecten heeft hij neergelegd in een inmiddels bekend, en bij anderen berucht, geworden boek Pihkal. Met behulp van dit boek dat geheel op het internet staat kan in theorie iedereen die een beetje verstand heeft van scheikunde zelf een synthetische drug maken. Dit is waarschijnlijk ook één van de redenen waarom deze drugs zo vaak worden geproduceerd.

Softdrugs: drugs op lijst II van de Opiumwet, zoals cannabis, GHB en paddo's. Drugs met minder risico voor de volksgezondheid dan de harddrugs op lijst I van de Opiumwet.

SPECT- scan: Single Photon Emmission Computer Tomograhy, een beeldvormende techniek. [Hoofdtekst]

Speed en pep: straatnamen voor 'wekaminen' of amfetaminen. Amfetaminen zijn chemische stoffen die stimulerend werken op het centrale zenuwstelsel. Er zijn verschillende soorten wekaminen. De belangrijkste zijn (dex)amfetamine en methamfetamine. Ze verschillen van elkaar in sterkte en werkingsduur. Speed is met name te koop in poedervorm, soms als tablet (pil). Meestal wordt het geslikt, maar het kan ook gespoten of gesnoven worden.

Speedball: combinatie van heroïne met cocaïne, of van heroïne met amfetamine, die wordt geïnjecteerd om het effect van beide drugs te vergroten.

Subcorticaal: onder (=sub) de hersenschors =cortex) gelegen.

Sympathicomimeticum: middel dat het sympathisch deel van het zenuwstelsel stimuleert.

Sympaticomimetisch: stimulering van het sympathisch zenuwstelsel.

Sympathisch zenuwstelsel: één van de twee onderdelen van het autonome zenuwstelsel. Het verbindt motorische zenuwen met de gladde spieren van inwendige organen en met de hartspier. Sympathische zenuwen ontstaan uit de ruggenmergszenuwen in het gebied van de borstkas en de lendenen. Aan hun uiteinden komt voornamelijk noradrenaline vrij, dat de hartslag en ademhaling doet toenemen, de bloeddruk verhoogt en de verteringsprocessen vertraagt. Het lichaam wordt hierdoor voorbereid op 'vluchten of vechten'. Stimulatie van het sympatisch zenuwstelsel werkt de effecten van het parasympatisch zenuwstelsel tegen. Het merg van de bijnier wordt alleen door sympathische vezels geïnnerveerd, welke aanzetten tot het afgeven van adrenaline aan de bloedbaan. Hierdoor worden de effecten van het sympatisch zenuwstelsel vergroot. [Figuur]

Synapsen: contactplaats tussen twee zenuwcellen (neuronen) of tussen een neuron en een spiervezel, waar prikkeloverdracht plaatsvindt. [Hoofdtekst] [Figuur][Meer informatie]

Synthese: opbouw van chemische verbindingen uit hun elementen of uit eenvoudiger stoffen, waarvan de structuur bekend is.

Synthetisch: op synthese berustend, door synthese opgebouwd, bij manier van synthese.

Synthetische drugs: verdovende middelen die bestaan uit chemische grondstoffen en die met behulp van een synthese in een productieplaats vervaardigd zijn.

Synthetiseren: synthetisch produceren. [Zie ook Synthese]

Tandartsencoke: benaming voor een inferieure kwaliteit cocaïne. Men spreekt in dit verband ook wel van chemische coke. Volgens gebruikers gaat het om cocaïne die versneden is met lidocaïne.

Trimbos-instituut: landelijk kennisinstituut voor geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg en maatschappelijke zorg. De missie van het instituut is: kennis over geestelijke gezondheid creëren en doen toepassen in beleid en praktijk van de geestelijke gezondheidszorg, de verslavingszorg en de maatschappelijke zorg. Het Trimbos-instituut is ontstaan door een fusie tussen het Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs (NIAD) en het Nederlands Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid (NCGV). Zie: www.trimbos.nl.

L-tryptofaan: een aminozuur waaruit het lichaam serotonine kan maken.

Tryptofaanhydroxylase: enzym dat betrokken is bij de aanmaak van serotonine. MDMA blijkt de werking van dit enzym te remmen. Het enzym zet het aminozuur L-tryptofaan om in 5-hydroxytryptofaan, en deze laatste stof kan vervolgens weer omgezet worden in serotonine. De omzetting van L-tryptofaan in 5-hydroxytryptofaan is de snelheidsbepalende stap in de vorming van serotonine.

Tolerantie: gewenning. In de toxicologie en farmacologie is sprake van tolerantie wanneer voor een bepaald effect meer van een stof nodig is dan de eerste keer of keren, of wanneer bij eenzelfde dosering minder effect optreedt dan de eerste keer.

Toxicologie: multidisciplinaire wetenschap waarin de schadelijke effecten van stoffen op levende organismen wordt bestudeerd met als doel deze te voorkomen. Er bestaat een groot aantal subdisciplines binnen dit vakgebied. Voorbeelden zijn giffen van slangen en planten, schadelijke effecten van medicijnen, drugs en stoffen uit de arbeidssituatie (bv. asbest) of het milieu (bv dioxines). De te bestuderen schadelijke effecten kunnen worden onderverdeeld in twee soorten: de acute en de chronische toxiciteit.

Verbaal: de taal (woordgebruik) betreffende.

Verslaving: onbedwingbare behoefte om een bepaald middel te gebruiken. Is dit niet mogelijk, dan ontstaan onthoudingsverschijnselen. Een van de meest zorgelijke verslavingen is die aan drugs, er bestaat echter ook verslaving aan alcohol, roken, eten, geneesmiddelen en zelfs koffie of snoep. Een bijzonder geval van verslaving is de verslaving aan bepaalde handelingen, bijv. gokken. In wetenschappelijke kring probeert men de term verslaving te vermijden omdat deze niet goed is gedefinieerd, liever gebruikt men afhankelijkheid. De vierde editie van de 'Diagnostic and Statistical Manual of the American Psychiatric Association' (DSM-IV), een instrument gebruikt bij het bepalen van psychiatrische ziektebeelden, definieert de begrippen afhankelijkheid en misbruik. Kenmerken van afhankelijkheid zijn tolerantie (betrokkene heeft behoefte aan een steeds toenemende hoeveelheid van een middel), onthouding (na staken van het gebruik treedt een onthoudingssyndroom op) en controleverlies (betrokkene kan meestal wel tijdelijk stoppen, maar heeft het gebruik niet in de hand en gebruikt telkens meer dan hij zich voorneemt, waardoor het niet meer lukt om te minderen of het gebruik in de hand te houden). Van misbruik is sprake als onaangepast gebruik van een middel leidt tot maatschappelijke of relationele schade, terwijl de kenmerken van afhankelijkheid (nog) niet aanwezig zijn. De DSM-IV mist het begrip 'craving', wat een essentieel aspect is van verslaving. Craving is een onbedwingbare hunkering naar het verslavende middel en kan optreden tijdens ontwenning, maar ook daarna, wanneer men opnieuw in contact komt met de verslavende stof of door omstandigheden wordt herinnerd aan het gebruik. Craving speelt een belangrijke rol bij de neiging tot terugval die inherent is aan afhankelijkheid.

Verslaving (2): problematisch gebruik van een middel waarbij sprake is van afhankelijkheid. Doorgaans wordt onder "verslaving" de klinische diagnose van afhankelijkheid verstaan. Voor justitiële doeleinden is het vaak niet mogelijk om klinische diagnoses te stellen. Justitiële monitors registreren bijvoorbeeld extra gevaar vanwege druggebruik of 'duidelijke aanwijzingen voor verslaving'. De klinische diagnose van afhankelijkheid wordt vastgesteld via classificatiesystemen als de DSM en de ICD. Kenmerken van afhankelijkheid zijn: vaak in grote hoeveelheden of langere tijd gebruiken, steeds meer van het middel nodig hebben voor het gewenste effect (gewenning), onthoudingsverschijnselen, het middel gebruiken tegen onthoudingsverschijnselen, willen stoppen terwijl dat niet lukt, veel tijd besteden om aan het middel te komen of om er van te herstellen, opgeven van belangrijke bezigheden thuis, op school, op het werk, of de vrije tijd en doorgaan met het gebruik ondanks het besef dat dit veel problemen oplevert.

Vrije radicalen: een atoom of molecuul met een nog ongebruikte bindingsmogelijkheid. Die ongebruikte bindingsmogelijkheden zullen proberen een binding aan te gaan met andere moleculen. Hierdoor beschadigen ze deze andere moleculen. Als de moleculen waarmee ze een binding aangaan onderdelen zijn van een levende cel, dan kan het functioneren van die cel en daarmee het voortbestaan in gevaar komen.

Wekaminen: amfetamine-achtige stoffen, ze hebben een stimulerende werking op het centraal zenuwstelsel met als resultaten een verminderd vermoeidheidsgevoel, verminderde slaap en vermeerderde motorische activiteit. De naam wekamine is in de jaren vijftig ontstaan uit (op)wek(ken) + amine.

WHO (World health Organization): Wereld Gezondheids Organisatie. De Verenigde Naties beslissen of bepaalde stoffen op de lijsten met verboden middelen worden gezet. De WHO voert het onderzoek dat daarvoor nodig is uit. [WHO Management of substance abuse]

Wit: benaming voor cocaïne. Deze term is vooral populair onder polydruggebruikers.

XTC: is een drug en wordt verkocht in de vorm van pillen, poeders en capsules. De pillen, eigenlijk tabletten, hebben verschillende kleuren en vormen en zijn meestal voorzien van een afbeelding. Vaak hebben de pillen een naam die verband houdt met de vorm of de afbeelding die erop staat: bijvoorbeeld 'kroontje', 'euro' en 'smiley'. De werkzame stof die in XTC zit heet MDMA, de afkorting van 3,4 methyleendioxymethamfetamine. Wanneer gebruikers een XTC-pil aanschaffen, hopen of vermoeden zij dat deze MDMA bevat. Vaak worden pillen als 'XTC' verkocht, terwijl ze het in werkelijkheid niet zijn. Dan zit er geen MDMA in, maar iets wat er op lijkt of helemaal niets. Ook kunnen er totaal andere stoffen in zitten die anders en onvoorspelbaar kunnen werken. XTC heeft twee effecten; een oppeppend en een bewustzijnsveranderend effect. Vanwege deze dubbele werking behoort XTC tot de groep van de psychedelische amfetaminen. [Meer informatie][Meer informatie]

XTC-achtigen: stoffen die qua chemische structuur lijken op MDMA, maar dit niet zijn en daarom een (enigszins) andere werking hebben. [Figuur]

ZonMW: subsidiefonds van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) voor preventie, zorg en gezondheid. Het fonds stimuleert en financiert onderzoek, ontwikkeling en implementatie in de gezondheidszorg. [ZonMW/verslaving]