De werking van MDMA

Het meest opvallende farmacologische effect van MDMA is dat het de afgifte bevordert van de stof serotonine aan zenuwuiteinden en dat vervolgens de heropnamene van serotonine in de zenuwuiteinden wordt geblokkeerd. In mindere mate geldt dit ook voor de afgifte van dopamine. Serotonine en dopamine zijn beide neurotransmitters, stoffen die de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen in de hersenen verzorgen. De effecten van MDMA op serotonine‑afgifte en ‑heropname lijken het belangrijkst te zijn en zijn daarom het meest onderzocht. Evenals andere neurotransmitters wordt serotonine in zenuwuiteinden opgeslagen in kleine blaasjes, nadat het in de cel gevormd is. Bij activatie door een zenuwprikkel versmelt een deel van deze blaasjes met de membraan van het zenuwuiteinde en vervolgens komt de stof vrij in de spleet tussen twee cellen. De tegenoverliggende cel, die voor serotonine specifieke receptoren bezit, reageert op de vrijgekomen neurotransmitter en wordt gestimuleerd (of geremd, maar dat geldt meestal niet voor serotonine). Het serotonine wordt in de ruimte tussen de cellen ten dele enzymatisch afgebroken en afgevoerd en ten dele weer in het zenuwuiteinde opgenomen (reuptake). Bij deze reuptake speelt een eiwit, het serotoninetransporteiwit, afgekort als SERT, een belangrijke rol.

Na een eenmalige toediening van MDMA ontledigen de blaasjes met serotonine acuut, waarna het herstel circa 24 uur in beslag neemt. Bij chronische blootstelling kan het herstel enkele weken duren.